Het komt door van alles

Hij is 20 jaar en hij komt sinds half december wekelijks naar mij toe. Somber, ineengedoken en perspectiefloos; dat kenmerkte de ontmoeting die ik met hem had in december. Het tussenjaar waar hij zo naar uit had gezien na het behalen van zijn VWO-diploma werd een periode van totale ‘nietsheid’. Geen school, geen werk, geen autorijlessen, geen waardevolle sociale contacten. Wel een paar kennissen, maar die begrepen hem niet. Hij sliep iedere dag lang uit omdat de dag dan korter leek. Zijn ouders werden steeds ongeduldiger en bozer en beschuldigden hem van luiheid en gemakzucht. Maar zo was hij toch niet. Of toch wel?
Met elke nieuwe of verlengde overheidsmaatregel was hem de moed en levenslust meer in de schoenen gezakt. Wat hij leuk vond? Waar hij zijn bed voor uit wilde komen? Wat hem blijer zou kunnen maken? Geen antwoorden. Stilte. Een spoortje stille tranen over zijn bleke gezicht.

“Wat je ziet ben je verantwoordelijk voor” zei een lerares lang geleden tegen mij. Ze sprak de woorden met zo’n beslistheid uit dat ik ze nooit ben vergeten. Ze gaven me de moed en de felle vastberadenheid om op te komen voor mensen met een hulpvraag. Voor rechtvaardigheid, echtheid en zoeken naar mogelijkheden die er zijn. Buiten de lijnen en over nieuwe wegen.

Terug naar deze jongen. Hij was naar me toe gereisd na mijn appje. Ik wist via via dat hij het zwaar had. Zijn reis en de tranen waren genoeg om het vuur in míj aan te wakkeren. Ik dacht aan de woorden van mijn lerares en het besluit was genomen. ‘Deze jongen ga ik helpen, ongeacht de regels en beperkingen die er zijn. Al is het deze ene jongen die ik door deze pandemie heen help, heen sleur als dat moet.’ Goddank wilde hij het wel proberen met me. Want om zo verder te gaan bood niet veel goeds voor de toekomst.

Onze bedrijfslocatie was met de overheidsmaatregelen gesloten. Ontwikkel-trajecten deed ik online. Veelal 1-op-1. Speciaal voor deze jongen deed ik wekelijks de deur van Droom van Zwolle open. Zo zaten wij met z’n 2-en in een immens pand. Of we wandelden door de stad. Zoekend naar antwoorden. Hoe het zover had kunnen komen. Wat hij graag deed toen hij nog veel jonger was. Wat hij zou doen als alles kon. Wat hij wist over zichzelf. Of hij kon ontdekken welke kwaliteiten hij kon aanwenden om hier uit te komen…

We zijn 3 maanden verder en afgelopen maandag lachte hij voor het eerst vrijuit sinds ik hem ken. Ik zag wel eerder een twinkeling toen ik tijdens een wandeling spontaan met hem bij een gitaarwinkel aanklopte. Maar nu lachte hij breeduit bij mij aan tafel. Hij was in beweging gekomen zei hij. “Ik ben er nog niet, maar ik ben onderweg”. En zo is het. Er was een gitaar gekomen na mijn telefoontje naar zijn moeder dat hij een gitaar nodig had voor zijn ontwikkeling. Er komt richting in een studiekeuze, hij maakt vergezichten over een leven in een studentenhuis, hij ervaart de kracht en de werking van een goed dagritme en is inmiddels bereid om al het werk aan te pakken dat voorhanden is.

Het komt door de deur uit gaan.
Het komt door de wekelijkse reis, een uur heen en een uur terug in de bus.
Het komt door een andere omgeving.
Het komt door de opdrachten om antwoord te vinden op ‘wie ben ik?’
Het komt door de filosofische gesprekken.
Het komt door de kennismaking met andere leeftijdsgenoten.
Het komt door mijn stok achter de deur.
Het komt door het leren gitaarspelen.
Het komt door het hanteren van een dag- en weekritme.
Het komt door werk te maken van werk.
Kortom het komt door van alles.

Deze jongen had een ieniemini vonkje om uit zijn somberheid te willen komen. Inmiddels zie ik een vlammetje dat op kan laaien tot een heilig vuur. Zijn vuur.
Hij loopt rechtop, hij maakt woordgrapjes en hij kan het hebben als hij op z’n donder krijgt als huiswerk niet af is. We dwalen en reizen nog even verder samen. Totdat hij geland is in een nieuwe stad en in een nieuwe studie. Totdat hij zijn eerste liedjes op zijn nieuw gitaar aan mij kan laten horen.

‘Hej’

‘Hej Bernadet, ik wil je even laten weten hoe het met me gaat.’ Zijn telefoontje komt uit het niets.

Hij is een jongere die ik 1,5 jaar geleden in ons programma On Track mocht begeleiden.
Hij deed het hartstikke goed. Hij kon goed reflecteren, deed echt zijn best. Hij had een moeilijke tijd achter de rug en stond er alleen voor. Maar hij wilde zo graag wat zijn leven maken, dus greep de kans om on track te gaan.
Twintig jaar en er alleen voor staan. Dat deed me wat. En uit de verhalen van hem begreep ik dat zijn ouders ‘het gewoon niet konden, opvoeder zijn, ouder zijn’.  Met goede moed en een grote dosis onbevangenheid was hij op zichzelf gaan wonen, met een vriend in een antikraakwoning vlakbij Zwolle.

Zoals ik al zei, hij deed het hartstikke goed. En ik snapte er niets van dat hij ineens niet meer op kwam dagen, de telefoon niet opnam, what’s-app berichtjes negeerde. Dus ik stapte in de auto en ging langs. En dat deed ik vele malen daarna weer. In het begin schrok hij er wel een beetje van en dan excuseerde hij zich dat het zo’n puinzooi was in huis. Maar het maakte mij niet uit. Ik wilde weten wat er aan de hand was. Het was zo’n lieve jongen, schuldbewust ook dat hij het zo had laten afweten.

Ineens kwam het hoge woord eruit. Hij was verslaafd geraakt. Het begon met blowen en alcohol. Daarna kwam 3-MMC.

We hebben hulp gezocht voor zijn verslaving. Dat moest eerst voordat hij weer met een opleiding zou kunnen starten.
Hij wilde er vanaf. Van de troep en van zijn apathie.
De wachttijd bij verslavingszorg was lang. Aan de telefoon al een half uur om zich überhaupt kenbaar te kunnen maken. Dat is lang en het vraagt vastberadenheid om de telefoon er niet op te gooien. Ik was erbij en ik heb het gezien. Maar hij deed het.
En toen kwam de wachttijd voor behandeling. Die was minstens een half jaar. Een half jaar minstens… Dat was ook lang. Te lang. En dus ging hij niet toen er eindelijk een oproep kwam. En naar de herkansing die er kwam ging hij ook niet.

Wat heb ik me machteloos gevoeld. Hij werd onbereikbaar. Maar ik ben blijven appen. Zo af een toe even een ‘ping’. Maar geen reactie, niets, noppes, nada.

Tot de lockdown vorig jaar. Ineens kwam er een berichtje dat hij door de lockdown, en het verlies van zijn baantje in de horeca, zichzelf wel heel erg tegen was gekomen. Dit ging zo niet meer. Hij was gaan kweken. “Wat kweek je dan?” vroeg ik vertwijfeld. ‘Groente’ was het antwoord en hij stuurde trotse foto’s van courgettes, aardappelen en munt. “Groente?” vroeg ik. ‘Ja! Ik heb een hartstikke leuke hobby met mijn groentetuin. Ik ben gestopt met blowen en ik ben een heleboel dingen aan het oplossen. Het contact met mijn ouders is beter en mijn schulden worden al een stuk minder.’

Na dit appje was het een half jaar stil. Tot een week geleden. ‘Hej Bernadet, ik wil je even laten weten hoe het met me gaat. Hoe het nu met me is.’ Hij vertelde trots dat hij ook gestopt is met alcohol en 3-MMC. ‘En dat allemaal op eigen kracht! Ik had er genoeg van en heb de knop omgezet. Gewoon gestopt. Cold turkey. En weet je wat zo leuk is? Ik sta 500 in de plus! En ik heb gisteren de mogelijkheid er ook afgegooid dat ik nog rood kan staan. Ik ben he-le-maal schuldenvrij!’ Wat was hij enthousiast. Ook over zijn nieuwe baan. Sinds een paar maanden is hij fulltime aan het werk bij een energieleverancier, met veel ontwikkelmogelijkheden.

Hij had mijn dag niet beter kunnen maken. Hij is On Track. Ik was en ben oprecht trots. Op hem. En onnoemelijk dankbaar dat hij de moeite nam om mij even te bellen. Binnenkort drinken we koffie, wat zie ik er naar uit…

 

Autonomie en Professionaliteit

‘Hoe autonomer je bent hoe professioneler je kunt zijn.’ Dat zijn de woorden waar een goede Pulsarvriend me weer aan herinnerde. Het is een uitspraak van een leraar van ons, lang geleden.

We hadden een gesprek over professionals in relatie tot werkgevers/opdrachtgevers. Over onduidelijkheid in rollen, uiteenlopende (niet matchende) verwachtingen en daaruit voortvloeiende weerstanden.
Ik vroeg me af hoe dat toch kan en ik puzzel daarin. Ik denk dat ik zelf helder ben in wat ik graag wil en toch overkomt het mij ook dat er onduidelijkheden zijn in de omvang of inhoud van een klus. Communicatie, blijkt maar weer, is lastig. Want hoe weet je zeker dat je elkaar verstaat? De ander kan zeggen ‘ik begrijp wat je bedoelt’, maar hoe weet je dat? En wat heb je daarin te doen?

Aan de mensen met wie ik samenwerk vraag ik ‘waar ben jij van’ en ‘waar ben jij niet van’? Stevigheid, helderheid en transparantie daarover ervaar ik als een verademing. Ik weet dan waar ik aan toe ben, kan zelf beslissen of ik verwachtingen bij wil stellen of een andere optie ga onderzoeken. Maar het overkomt mij dus ook dat het een beetje onduidelijk blijft ‘wat wel en wat niet’. En dat is niet handig, want bij de oplevering van het werk is dan uiteindelijk niemand blij. De ander kan het gevoel hebben van overvraagd worden en mijn vertrouwen in de deskundigheid van die persoon daalt omdat ik een ander eindbeeld had. Het is hard werken om dan weer in een goede flow met elkaar te komen. Zonde vind ik dat.

Hoe waardevol is het om jezelf én elkaar te bevragen. Waar kan ik jou voor inschakelen, hoe kan ik je helpen, wat heb je nodig? Door antwoorden te vinden op die vragen groei je persoonlijk én professioneel. Je energie kan zich steeds beter richten, je zelfvertrouwen groeit en je wordt steeds beter in het uitoefenen van je werk. Met name als de manier waarop, dus hóe je je professie ten uitvoer brengt, door jouzelf bepaald is. Authenticiteit en autonomie gaan hierin hand in hand. Die groei zet zich een leven lang voort als je je er voor open stelt. Je bent er dus niet met weten waar je van bent. Het gevaar schuilt er immers in dat het dan een kunstje wordt, iets mechanisch. Elkaar goed blijven bevragen helpt aan beide kanten. En als het niet helder is mag de blik heel eerlijk naar binnen worden gericht om te onderzoeken wat er aan de hand is. Soms is er werk aan de winkel, stuit je op weerstanden en is er sprake van groeipijn. Maar als je daar (met elkaar) doorheen durft te gaan groei je niet alleen persoonlijk, maar ook in je professionaliteit. Het lukt dan óók om zonder schroom te zeggen ‘en hier ben ik niet van’. Hoe mooi is het om daardoor ook steeds specifieker te worden met wie en voor wie jij wilt werken. De keuze is aan jou voor de juiste werkgever, opdrachtgever, opdrachtnemer, collega, klus, rol, functie of taak!

 

Werken vanuit talent is egoloos

Ik moet iets kwijt over talent.
Ik spreek veel mensen die op zoek zijn.
Op zoek naar ‘wie ben ik’, wat is mijn talent?
Op zoek naar de weg van succes.
Op zoek naar dé studie met een goed betaalde (bij)baan.
Goed klinkende functietitels en volop mogelijkheden om de treden van de succesladder naar hartelust te kunnen bewandelen.

Ik vraag dan meteen ‘is dat jouw definitie van succes?’ En meteen is daar bij de ander ook de vertwijfeling. Want ‘iedereen doet of wil dat toch?’
Het is een misvatting dat je talent alleen maar werkt als je eindelijk je droombaan hebt gevonden. Het is een misvatting dat werken vanuit je talent je status geeft. Zoals het ook een misvatting is dat de uitgifte van je talent stopt na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

We zijn allemaal geboren met een natuurlijk talent. Dat is prachtig. Jouw talent is altijd op zoek naar een afnemer, zoekt altijd naar een manier om ‘het’ uit te geven. Dat gaat een leven lang door, in welke omstandigheid dan ook.

Werken vanuit talent is egoloos. Talent gaat over eigenheid, niet over ego. Het doet er niet zozeer toe wát je doet, maar hóe je het doet. Als voorbeeld: mijn bezielertalent werkt volop als ik aan het schoonmaken of opruimen ben. Dat doe ik toegewijd en ik maak het mooier dan het was. Daar kan ik mezelf helemaal in verliezen, dus het is ook oppassen geblazen. Want dat is een valkuil; gieteren of eindeloos uitgeven van je talent. Het is een kwestie van ‘je ding doen’ en niet meer dan dat. En ook om iedere keer jezelf af te vragen ‘wat heb ik nu te geven?, hoe ga ik het nu aanpakken?’ Als je werkt vanuit je talent ga je niet op de routine, er zit iedere keer een vernieuwingsimpuls in. Je kunt doodop raken van werken vanuit je talent als je niet alert blijft!

Ik begrijp het verlangen goed rondom ‘weten waar jij van bent’. Graag help ik om daar meer zicht op te krijgen. Maar dan wel met antwoord op mijn vraag ‘wat doe je in de tussentijd?’ Wachten tot dé droombaan of dé studie ineens voorbij komt? Of steek je je handen uit de mouwen? Want dáár ben ik op uit. Dat jij je bed uit komt met de intentie om er iedere dag wat van te maken.
Ik denk oprecht dat je beter af bent als je werkt, een ritme hebt, contacten hebt buiten de intieme privésfeer. Voor de goede orde; met werk bedoel ik alle taken of klussen. Betaald of onbetaald.
Het gaat er volgens mij om dat je van betekenis bent voor anderen en je leefomgeving. Door egoloos te geven vanuit je talent. Dat is volgens mij de essentie van leven.

Dwarsliggen…

Tijdens de voorbereidingen van ons programma On Track horen we nogal wat van jongeren. Opmerkingen en perspectieven die door volwassenen naar hen geuit worden als ze het even niet weten. Meestal met goede bedoelingen, uit liefde en ter stimulans.

En toch dacht ik na onze inloopavond voor jongeren gisteravond ineens aan mijn eerste rapport van de basisschool. Klas 1, dat is nu groep 3. Ik deed het best goed op school. Er stonden allemaal voldoendes op mijn lijst. Goed bestond toen nog niet. Althans niet op onze school. Naast mijn lijstje stond ‘Als ze geen zin heeft kan ze erg dwars zijn’.
Ik weet nog dat het me raakte toen ik dat schoolrapport later nog eens onder ogen kreeg. Wat had ik niet goed gedaan? Ik herinnerde mezelf als lief, behulpzaam, onbevangen en ‘in’ voor avontuur. Een dromer ook; die reisjes maakte naar andere werelden als de juf of meester lang aan het praten was. Heerlijk ging ik van het ene plaatje naar het andere. Daar kun je druk mee zijn. Dus een lesuur vloog voorbij. Soms schrok ik wel als het ineens stil was en dan moest ik vaak mijn klasgenootjes (we waren met z’n 6-en) vragen wat we moesten doen. Maar het kwam altijd goed met mijn werkjes.
Vandaag bladerde ik door het rapportenboekje en eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik op het onderdeel ‘belangstelling’ de hele schoolperiode ‘zwak’ of ‘matig’ heb gescoord. Maar nu denk ik ‘over wie zegt dat wat eigenlijk?’

Ik ben blij dat ik de waarde van mijn verbeeldingskracht heb ontdekt. En ook van het ‘dwarsliggen’. Hoe fijn is het om zelf uit te vinden, af te wijken van gebaande paden en te spelen. Mooie avonturen beleef ik daardoor. Ik kom écht in beweging als ik de ‘zin’ zie of voel. En als dat er nog niet is blijf ik gewoon waar ik ben (chillen heet dat ook wel). Dus tja ik snap ‘die jongeren van tegenwoordig’ wel. Die liggen niet dwars. Die willen wat anders. Die willen niet moeten. Die willen kunnen, mogen, doen… Die willen avonturen beleven, spelen, het zelf uitvinden. Of wat anders…

Nu ik nog een keer naar dat ene zinnetje kijk denk ik ‘wat tof dat die juf de kwaliteit in mij al heel vroeg heeft gezien.’ 🧚‍♀️

Veren op mijn pad

Ze begonnen me een paar jaar geleden op te vallen. De veren die op mijn pad liggen.
In allerlei kleuren, soorten en maten.
De eerste keer dat ik bewust een veer op pakte herinner ik me nog goed. Ik zat te malen. Terwijl ik de veer zorgvuldig schoon veegde werd het rustig in mijn hoofd. Ik herinnerde me ineens ‘het ene’ uit die stroom aan gedachten.
De veer hielp me om te focussen.
‘Hier gaat het dus om’, dacht ik.
Een wonderlijke ervaring, vond ik.
De veer stopte ik in mijn tas.

Sindsdien zie ik veren als hulpmiddelen om uit de ratrace te stappen. Zelfs als ik op de fiets zit stop ik als ik een veer zie. Terwijl ik af stap denk ik ‘waar dacht ik aan?’ En dan veeg ik de veer schoon en bewonder hem.
Veren zijn zacht en teer. Stevig en sterk.
Er zit vaak een mooie glinstering in, ook aan de onderkant. De kleuren tekenen scherp af of vloeien in elkaar over.
Pure schoonheid.
Hoe is het mogelijk denk ik dan.
En ik herinner me ‘het ene’.

De mythe is dat veren tekenen van de engelen zijn. Iedere veer heeft, afhankelijk van kleur en afkomst, een eigen betekenis.
Of de mythe nou waar is of niet, veren helpen mij in mijn bewustwording. Ze vergroten mijn waarneming. Niet door ze te zoeken. Het voelt andersom. Ze vinden mij. Ineens is er pats een veer. En dát maakt mij bewust in het moment.
Ik ben, nu een paar jaar later, nog iedere keer enthousiast als ik een veer zie liggen.
Ze zitten in mijn tassen en jaszakken. Thuis leg ze in schaaltjes of ik zet ze in vaasjes. Er zijn er zoveel inmiddels…

“Wat heb jij met veren?” vragen mensen mij.
‘De veren brengen mij in vervoering en verwondering’, zeg ik dan. ‘Maar bovenal maken me wakker. Ze zetten me met de voeten op de grond als ik aan het malen of afwezig ben…’

Waarom zijn de bananen krom?

Een kinderlijke vraag. Een vraag waar ik altijd van moet glimlachen.
Je kent vast het eindeloze ‘waarom-men’ van kinderen om je heen. Misschien herinner je jezelf nog toen je als kind in de waaromfase zat. Misschien herinner je de frustratie nog als je geen bevredigend antwoord kreeg…
‘Waarom’ dwingt de ander om na te denken en om uit te leggen. Misschien word je er gek van als een kind alsmaar vraagt ‘waarom’? Soms is het immers fijn dat hij of zij gewoon doet wat gevraagd wordt. Soms heb je er even geen zin in om antwoord te geven op die vraag. En toch. Hoe rechtvaardig is het om nieuwsgierigheid – het echt willen weten – de kop in te drukken en de ander te dwingen om te volgen?

Hoe kan het dat we als volwassenen zo gemakkelijk dóen zonder ons af te vragen ‘waarom?’.
Omdat het moet? Omdat het gevraagd is?
Zeg nou eerlijk hoe vaak stel jij jezelf de waaromvraag?
Waarom doe je de dingen die je doet? Waarom kom je je bed uit? Waarom blijf je in een situatie zitten die je helemaal niet fijn vindt?
Waarom?

‘Waarom?’ is misschien wel de mooiste en belangrijkste vraag die je kunt stellen. Aan jezelf, aan je geliefden, aan je team, aan je leidinggevende, aan je organisatie. Het is een oprechte, en daarmee een liefdevolle, vraag die een ander aan jou kan stellen.
Waarom geeft richting.
Altijd.

Een organisatie die helder heeft waarom zij bestaat trekt de mensen en de klanten aan die bij haar horen. Een team dat staat voor een specifieke uitdaging heeft meer aan een antwoord op ‘waarom’ dan aan een instructie wat ze moeten doen en hóe. ‘Waarom’ geeft ze informatie wat het doel is van de uitdaging. Hoe ze het uit gaan voeren en wat ze daarbij expliciet gaan doen, of niet, dat kunnen ze allereerst zelf wel invullen. Als ze zich met hart en ziel hebben verbonden aan de organisatie dan doen ze de dingen die goed zijn, op een manier die goed is. Een krachtig team vaart wel op basis van vertrouwen en het benutten van het aanwezige talent. Waar ze uit moeten komen, dus wat het doel of de bestemming van de reis is, dat is van belang. Aankomen in een verkeerde haven is immers niet wat een leider, in dit geval de kapitein, voor ogen heeft. En toch gebeurt het. Teams die in de verkeerde haven terecht komen of die dwalen op open zee. Mensen die op de verkeerde boot zijn gestapt. Organisaties die alsmaar van koers veranderen omdat de bestemming niet (meer) helder is.

Als jij jezelf afvraagt waarom je doet wat je doet weet jij of je op koers ligt, of niet.
Waarom zou je niet wat vaker stil staan bij waarom? Ik geloof oprecht dat het helpt in het nemen van beslissingen. Of ze nou groot of klein zijn. Ik geloof ook echt dat je meer tijd en ruimte zult ervaren als je jezelf antwoord geeft op ‘waarom?’.
Waarom zou je dingen doen die voor jou of je omgeving geen toegevoegde waarde hebben? Waarom steek je tijd in mensen of in werkzaamheden die je meer energie kosten dan energie geven? Waarom kies je voor angst voor het onbekende in plaats van voor liefde voor avontuur? Waarom?

Ik wens je veel ‘waarom-men’ toe. Bevraag jezelf en de ander totdat je een helder antwoord hebt. Dan hoef je niet meer te dwalen, dan stap je op de juiste boot. Dan kun je na je reis zeggen ‘het was weer een mooi avontuur, bestemming bereikt!’.

Jij bent het

Is er onderscheid tussen mij en mijn werk? Of tussen mij en ‘mijn’ bedrijf? Een vraag die me al lang puzzelt. We vinden het immers belangrijk om privé en werk te scheiden. Al is dat wel lastiger geworden sinds de opmars van e-mail en sociale media. Ja ik kom nog uit de tijd dat e-mail uitgevonden werd. Op mijn 38e kreeg ik mijn eerste mobiele telefoon en dat vond ik een ramp. Ineens was ik altijd bereikbaar (als ik hem aanhad tenminste), kreeg er stress van (omdat ik berichten ontving waar ik wat mee moest als ik toch even niet bereikbaar was). Ineens was er geen strak begin en einde van mijn werkdag.
Ik kon ineens werken op het moment dat ik inspiratie voelde. Ik kon ook ineens op andere plekken werken dan op het kantoor. De dongel voor mijn laptop was ook een uitvinding.
Er brak een andere tijd aan. Een tijd waarin het een uitdaging werd om voldoende rust te nemen. Niet de hele dag ‘aan’ te staan. Tijd te nemen om op te kunnen laden en nieuwe inspiratie op te doen.

En hoe zit het dan met de dingen die je doet? Is er onderscheid te maken tussen jou en die dingen?
Zelf kan ik zeggen dat ik in de gelukkige omstandigheid ben dat ik het allerleukste werk van de wereld heb en dat ook nog eens op de allerleukste plek kan uitvoeren. Voorheen was ik ook enthousiast over de dingen die ik deed. Werkte altijd graag. Voelde me betrokken en was loyaal. Maar er knaagde ook altijd iets vanwege idiote reorganisaties, onbegrip en onrust in de wandelgangen vanwege de alsmaar toenemende druk op declarabiliteit en prestatie. Wat wij er allemaal van vonden daar werd niet naar gevraagd. ‘Ze’ hadden besloten dat het anders moest. Sneller, efficiënter, gericht op korte termijn. Niks mis mee ogenschijnlijk, maar zo werd ook langzaam de ziel uit de organisatie gesneden. Lange termijn kwam op de lange baan. De ruimte om nieuwe dingen uit te proberen werd gereduceerd tot 0. Dat het niet goed is gegaan met de organisatie dat is een logisch gevolg.
Als ik er op terug kijk herinner ik me vooral het continue gevoel van verlies, vermoeidheid, onmacht. Verdrietig werd ik ervan. Moedeloos ook. En het allerergste, ik was 35 jaar en had het idee ‘Wat kan ik nog als ik deze baan kwijt raak? Wie zit er nog op mij te wachten?’
Vanuit een impuls ben ik een coachingsopleiding gaan volgen. Ik had behoefte aan een intensief loopbaantraject voor mijzelf en ik dacht ‘wie weet kan ik daar wat mee in toekomstig werk’. Een schot in de roos. Ik voelde me helemaal op mijn plek in de wereld van coaching en training en het duurde niet lang voordat ik de stap maakte naar zelfstandig ondernemerschap. Ik nam zelf ontslag, vlak voor weer een nieuwe ronde van gedwongen ontslagen.
De zelfgecreëerde baan en werkomgeving is wie ik ben. Ik bén het werk dat ik doe. Onderscheid tussen werk en privé is er niet. Tenminste niet in de zin van de deur dicht trekken en de volgende dag wel verder zien. Ik kan de deur van mijzelf niet dichttrekken. Ik kan mezelf wel terugtrekken. Ruimte nemen op momenten dat ik daar behoefte aan heb. Zo lang dat kan klopt het. Stroomt het. Zit ik in flow. Ben ik congruent met wat in mij is en wat ik doe.

Misschien herken je iets uit bovenstaande schets. Misschien knaagt er iets, maar weet je niet goed hoe je het aan moet pakken. Mijn beste tip aan jou is: weet wie je bent. Als jij je niet meer wilt laten leiden door de waan van de dag, maar zelf aan het roer van je leven wilt staan is de eerste stap het opdoen van zelfkennis.
Ontdek wie jij in wezen bent, ‘waar jíj van bent’, wat je beweegt en wat jij teweeg wilt brengen. Wat inspireert je, waar krijg je energie van en hoe wil je anderen inspireren? Waar ben jij niet van? Wat ligt je niet?
De antwoorden op deze vragen geven jou richting. Het is je kompas hoe je het beste uit jezelf kan halen, hoe je jouw eigenaarschap kunt vergroten en echt verantwoordelijkheid kunt nemen voor de dingen die je doet en die voor jou belangrijk zijn.
Je krijgt helderheid in wat jou uniek maakt, wat jou signatuur geeft. Het brengt je bij je diepe drijfveren en naar de kern van jouw verhaal en van jouw professie.

Zie jouw professie als ‘onderneming’ Of je daadwerkelijk een eigen bedrijf hebt of in loondienst bent doet er niet toe. Wie jij bent en waar jouw onderneming voor staat dat is één. Er is geen onderscheid.
Jij bent het!

Eigenaarschap en samenwerken

Het komt vrijwel elke dag voorbij. Eigenaarschap en hoe werken we samen.
Terugkerende onderwerpen in ons eigen team en in de teams die we vanuit onze professie begeleiden.
Je kent het vast. Taken die niet worden gedaan omdat de één denkt dat de ander het wel oppakt. Omdat de ander denkt als ik niets hoor dan zal het wel lopen allemaal…
Soms loopt het niet. Of het loopt dubbel. Er ontstaat verwarring, ergernis, onmacht. Tussen collega’s onderling of bij de leiding. We plannen het zoveelste overleg waarin we voor nu en altijd eens goed afspreken ‘wie wat gaat oppakken’. Kortom, we maken takenlijstjes, to-do-lijstjes, notulen, e-mails.
En dan loopt het… toch niet helemaal. In het dagelijkse blijven er toch nog kruimels liggen en ontstaan er open eindjes. Omdat nou eenmaal niet letterlijk aan iedere handeling of taak is gedacht. De kruimels zijn niet fris en niet fijn. De open eindjes komen maar niet af.

Bij eigenaarschap denkt menigeen aan feitelijk of materieel eigenaarschap. Zoals een ondernemer eigenaar is van een bedrijf. Een jongen eigenaar is van zijn brommer. Een vrouw eigenaar is van haar huis. Allemaal waar en allemaal tamelijk concreet.
Maar hoe zit het dan met eigenaarschap ín je werk? Hoe kun je eigenaar van iets zijn zonder dat je het bezit?
Om het te verhelderen noem ik het geestelijk eigenaarschap. Dat gaat voorbij de vorm. In de vorm zit meer het feitelijke eigenaarschap (zoals het bedrijf, de brommer, het huis). In geestelijk eigenaarschap zit jouw spirit, jouw idee over iets, jouw aandacht en jouw focus. Jij hebt het eindbeeld. Denk als voorbeeld aan de verzorging van mevrouw Pieterson, de communicatie-uitingen via sociale media of de nieuwe werkprocedures. Dit klinkt best zwaar en het kan een immens gevoel van verantwoordelijkheid met zich mee brengen als je het letterlijk zelf in gaat vullen. Maar geestelijk eigenaarschap moeten we niet verwarren met alles zelf moeten doen. Het gaat er bij geestelijk eigenaarschap om dat er 1 iemand is die het eindbeeld over iets heeft. Die daarin energetisch voorop gaat, die een stukje verder is vanwege het eindbeeld. Diegene ziet dus voor zich hoe de zorg van mevrouw Pieterson eruit ziet (wat er gedaan moet worden, hoe vaak, wat voor mensen er nodig zijn), ziet de communicatie-uitingen via sociale media voor zich (welke thema’s, welke planning, welke kanalen), ziet voor zich hoe collega’s kunnen werken met nieuwe werkprocedures (waarom, hoe en wat)… Een geestelijk eigenaar van iets kan van daaruit taken uitbesteden. Dat is ook vaak wenselijk. Al is bij het uitbesteden van taken ook meteen een ander weer geestelijk eigenaar van iets. Dus van een (nog) kleiner onderdeel.
En hier gaat het vaak mis. Omdat we denken het is maar 1 taak, dus hoe belangrijk kan dat zijn? Of moet ik daar de verantwoordelijkheid voor dragen? Of het is niet mijn verantwoordelijkheid want die ander heeft het hele onderdeel onder zijn hoede. Hij of zij is in the lead. Hij of zij wordt daarvoor betaald. Enzovoort.

De eindverantwoordelijken, managers, leidinggevenden, zijn inderdaad geestelijk eigenaar van een groter onderdeel. Maar daarnaast is iedere medewerker eigenaar van iets. Eigenaar van een takenpakket, eigenaar van een specifieke klus, een specifiek onderwerp. Het vraagt om durf en erkenning om dit goed in te vullen. De durf om verantwoordelijkheid te nemen. De durf om verantwoordelijkheid te delen. Erkenning dat je de ander nodig hebt op onderdelen. Erkenning dat je ergens voor gaat staan. Erkenning van het talent en de kwaliteiten van elkaar. Erkenning ook van dingen die (nog) niet goed lopen.

Opvallend vind ik het hoe moeilijk we het met elkaar vinden om eigenaarschap in samenwerken goed in te vullen. Hoe gemakkelijk mensen de deur dicht lijken te trekken en morgen wel weer verder zien. Hoe gemakkelijk de vinger naar de ander wordt gewezen als iets niet gedaan is. Hoe snel voorbij gegaan wordt aan de eigen rol in het geheel.
Wat nou als je daar mee begint? Als je jezelf de vraag stelt wat had ik hierin kunnen of willen doen? En wat nou als jij heel expliciet aan gaat geven ‘laat mij dit doen, ik ben hier van!’ Volgens mij maakt deze insteek het verschil. Kan er alleen op deze manier een geolied team ontstaan. Een team dat goed op elkaar is ingespeeld. Een team waarin de leden op elkaar kunnen bouwen en waarin vertrouwen heerst. Ik vind het een mooi onderwerp tijdens onze teamtrainingen. Het komt vast en zeker ook weer op de agenda van ons volgende teamoverleg. Opdat wij blijven leren hierin en onszelf blijven uitdagen om ergens helemaal voor te gaan en te gaan staan. Dat geeft helderheid. Dat geeft rust. En het is een bron van (zelf)vertrouwen.

Toch niet door het putje

Angst voelen, op de bodem liggen en toch niet door het putje gaan. Hoe bijzonder om te ervaren hoe je jezelf bijeen kan rapen in slechts een aantal ogenblikken. Een kwestie van mindset?

Ik vertelde er deze week over tijdens een training.
Het is inmiddels bijna een jaar geleden dat ik op reis was in India. We gingen raften over de Ganges. Stoer, sportief en gelukkig, zo voelde ik me. Comfortabel in een wetsuit, de peddel stevig vast om de golven en de stroomversnellingen te verslaan. Een welkome afwisseling van de immense indrukken in een immens land dat door de inwoners en reizigers liefdevol ‘Incredible India’ wordt genoemd.

Onderweg stoppen we bij een soort van ‘strandje’. Een prachtige omgeving. Tintelend fris blauwgroen water. De rotsen om ons heen immens hoog (denk ik).
Hoe dan ook, het is adembenemend en magisch.
Locals hebben aan de oever plekken gecreëerd waar ze kleine maaltijden bereiden. Het eten ruikt heerlijk en het ziet er verrukkelijk uit. We hebben hard gewerkt, vind ik, dus ik neem 2 porties. De anderen uit de boot zijn niet gestopt om te eten. Ze lopen naar de hoogste rots. Daar kunnen we van afspringen…
‘So much fun’ zegt de gids.
Ik staar omhoog.
Hoe hoog is het eigenlijk? Ik zie weinig hoogte of diepte (dat is een beetje een handicap zo nu en dan…).
“Serious? Is this fun?”
Ik weet het niet.
En ik bedenk me dat ik wel filmpjes ga maken. Hoe leuk is dat?!

Het springen is leuk. Aan het gegil en gejoel te horen.
‘Je moet dit echt meemaken. Doodzonde als je het nu niet doet. Ga gewoon mam’, zegt ze.
En dus loop ik, nou ja klauter ik, de rots op. Geen idee hoe verder eigenlijk. Als ik boven sta kan ik altijd nog zien of ik spring. Toch?!
Onderweg ben ik een paar keer uitgegleden, ik heb me bezeerd, voel me geschaafd en toch stap ik door. Als ik dan eindelijk boven op de rots sta en naar beneden kijk word ik duizelig. Het is één groot gat. Ik heb geen idee of het 10 meter is of 100. Ik voel de neiging om plat op de rots te gaan liggen en dan heel voorzichtig over de rand te gluren. Maar als ik hurk voel ik ook meteen dat het alleen maar erger wordt. De gids staat achter me en zegt nogmaals ‘it’s so much fun’.
Kan hij ophouden? Gewoon zijn kop houden? Het is helemaal geen fun. Ik voel de tranen prikken. Lig op de bodem. Nog nooit heb ik zoveel verlammende angst gevoeld. En ik weet ook niet of ik nou beter vooruit kan stappen of achteruit moet gaan. Want stel dat ik naar beneden loop. Hoe doe ik dat dan? Het was al klauteren om hier te komen. Hoe ga ik dan naar beneden? Op mijn billen? Schuifelend? Verschillende scenario’s flitsen door mijn hoofd. Tjonge hier sta ik dan. Het avontuur lonkt én mijn angst is groot.
This is fun. Once in a lifetime.
Ik ga eraan. Ik ga door het putje.
Of toch niet?

Stel nou dat ik spring, bedenk ik me. Wat is dan het allerergste dat er kan gebeuren? Ik heb een wetsuit aan (ik noem het mijn reddingsvest).
Stel nou dat de klap hard aan komt. Dan heb ik dat pak aan. Zal niet geheel geschaafd uit de strijd tevoorschijn komen.
Stel nou dat ik verkeerd op het water terecht kom. Wat dan? Kan ik te pletter vallen?
Ik schat in van niet. De anderen hebben het ook allemaal overleefd. Bovendien zag het er in de rivier veilig uit. Geen uitstekende rotsen ofzo…
Het zal wel loslopen. Of toch niet?
Al deze gedachten razen door mijn hoofd en dan opeens herinner ik me ik voel wel angst, maar ik ben niet bang. Een zin die ik de afgelopen jaren regelmatig tegen mezelf heb gezegd. Een mantra. Richtinggever in woelige tijden.

Ik spring.
In het diepe.
En kom boven.

De deelnemer uit de groep vroeg me waarom ik sprong. “Het vertrouwen was groter’, zeg ik. ‘En het verlangen naar avontuur ook.’
“En hoe was het?” ‘Het duurde lang’ zeg ik.
Serieus dat was de gedachte die ik had toen ik sprong en wachtte totdat ik het water zou raken. Het zijn seconden geweest en toch duurde het lang. Omdat ik niet zag.
‘Maar ik had wel vertrouwen dat het water diep genoeg was’. (In het diepe springen is immers beter dan in ondiep water.) ‘De hang naar avontuur was uiteindelijk groter dan de angst’.

Of ik weer zal springen? Vast wel. Van een rots in een rivier die ik niet zie? Geen idee. Het zal van vertrouwen in mezelf en van mijn verlangen afhangen. Want dat weet ik wel. Als ik goed af kan stemmen op mezelf en mijn omgeving, dan zal mijn verlangen naar avontuur altijd groter zijn dan mijn angst. Dan ben ik niet bang.